Lijdensweg

“Nee, nee en nog eens nee.” Ouderling Bas Bollebroeck zwaaide met zijn vinger in de lucht en keek Jochem gebiedend aan. Er was geen ontkomen aan. Jochem Flytstra moest een pak aan. En dat zat hem niet lekker.
“Maar ik draag altijd een poloshirt,” stribbelde hij tegen. “Een heel duur poloshirt van de Bijenkorf. “
“Je hebt me gehoord Flytstra. De kerkeraad wil dat je vanaf vandaag alleen nog maar een goed gestroomlijnd herenpak draagt tijdens je preek. Wij zijn dan wel een kerk en moeten ons wat afzijdig houden van het wereldse gebeuren, maar een prima pak volgens de laatste herenmode is toch wel het minste wat de gemeente van zijn dominee kan verwachten.”

“Maar een pak stoot de jeugd af. Die willen een dominee in een T-shirt.”

Bollebroecks gezicht betrok. “Flytstra… Je weet wat de kerkeraad wil. Vooruit… geen gemaar.”

Flytstra slikte en knikte. “Goed dan. Dan maar preken in een herenpak.”

Er gleed een tevreden glimlach over het gezicht van Bollebroeck. “Ik wist wel dat ik je kon overtuigen van het belang om goed gekleed op de kansel te staan, Flytstra. En om je daarbij te helpen heeft de gemeente besloten de collecte van afgelopen zondag om te zetten in een… herenpak.”  Hij kneep zijn oogjes samen en liep naar een kast in de koffiekamer. Hij trok de deur open en de verbouwereerde Flytstra staarde naar een stijlvol en go van Hugo Boss.

“Ik…eh…m-moet dat dragen?” stamelde Jochem Flytstra.

“Ja, dat klopt,” zei Bollebroeck met een voldane zucht. “Was niet goedkoop hoor. Maar in dit pak straal je als een waardig ambassadeur van het hemelrijk… een engel van de onzichtbare oevers der eeuwigheid.” Bollebroecks stem sloeg over van heilige opwinding terwijl hij de fijne stof met zijn vingers streelde. “Herenmode op zijn best.”

“Dat pak lijkt me wat klein,” hakkelde Flytstra onzeker.
“Klein? Welnee. Dat lijkt maar zo. Wij hebben XXL gekocht.” Hij trok het pak van de hanger en gaf het met een zwierige zwaai aan Flytstra. “En nu aantrekken, want je moet over vijf minuten preken.”

Flytstra nam het pak zwijgend aan. Er was geen ontkomen aan. Met frisse tegenzin schopte hij zijn sportieve bruine Hush Puppies uit en begon zijn broek uit te trekken.

Er zat een groot gat in Flytstra’s bolletjessokken en de rechter grote teen stak er triomfantelijk uit als een schildwacht van het goede nieuws. Maar Bollebroeck zag het niet.

“Te klein,” hijgde Flytstra terwijl hij met samengeperste wangen probeerde zijn riem dicht te trekken.

“Wat bedoel je te klein?” gromde Bollebroeck.
“G-gewoon… Ik…eh…kan nauwelijks ademhalen.”

Bollebroeck vloekte binnensmonds. “Onzin. Dit is een XXL herenpak. Wij hebben geen tijd voor praatjes. Je moet preken.”

Flytstra perste zich in zijn jasje en schudde zijn hoofd. “G-gaat niet… Zo kan’k niet pr-preken.”
Bollebroeck likte zijn lippen en staarde grimmig naar zijn dominee. “Flytstra… Je moet. De gemeente wacht op je. Ik heb de kerkeraad beloofd dat je vandaag in een pak op de kansel zou staan. Je moet je er gewoon doorheen vechten. Het is nu te laat om nog van koers te veranderen.”
Hij slingerde de deur van de koffiekamer open en wees met zijn vinger de gang in.

“Vooruit Flytstra… Maak er wat van. Waar gaat de preek vandaag trouwens over”

“P-Petrus,” hijgde Flytstra. “Toen die Jezus drie keer verloochende.”

“Prachtig onderwerp,” knikte Bollebroeck goedkeurend. “Daar zul je mee oogsten.”

Flytstra schude nogmaals zijn hoofd en strompelde toen de gang in op weg naar de kansel.

Toen hij vanaf de kansel over de zee van gezichten uitkeek in zijn veel te nauwe pak borrelde het zweet op zijn voorhoofd. De kerkeraad zat op de eerste rij en keek goedkeurend naar dat stralende pak van Hugo Boss. Die zagen nog niet dat het pak veel te nauw zat, ofschoon ze wel argwanend naar de gespannen zenuwtrekjes op het gezicht van die arme Flytstra staarden.

Flytstra schraapte zijn keel.

“Ahum… eh… ik… eh…”

Wat zat dat pak vervelend.  Hij had het gevoel dat zijn bloedsomloop werd afgesneden.

Doorzetten jongen. Je hebt wel voor hetere vuren gestaan. Maar waar ging de preek ook nog maar weer over?
Iedereen wachtte in eerbiedige stilte op de dominee. Flytstra probeerde wanhopig om zijn gedachten bij de preek te houden. Opeens wist hij weer waar het over ging. Petrus had Jezus driemaal verloochend toen deze gearresteerd was, vlak voor zijn kruisdood.

En toen kraaide de haan. Drie keer…

“P-Petrus,” stamelde Flytstra had nogal wat p-problemen. Net zoals ik… eh ik bedoel… net als veel anderen…” Hoe ging het nou ook alweer?  Hij pijnigde zijn hersens. O ja, Petrus verloochende Jezus en toen was er een haan.

“P-Petrus v-verloochende Jezus drie keer en toen opeens… t-toen opeens haande de kraai.  Ja… die kraai haande zo luid dat P-Petrus zich reali—“ Wat zeg ik nou? Flytstra  voelde het bloed in zijn oren. De gemeenteleden staarden in ongeloof naar hun stotterende dominee.

“Wat?” sprak Bollebroeck op gedempte toon vanaf de eerste rij. “Hou je hoofd er bij, man.”

Flytstra dacht koortsachtig na. Er was helemaal geen kraai in het bijbelverhaal. Maar wat voor beest was er dan wel? Flytstra kon niet meer denken. Hij was het glad vergeten.

“Nee… g-gemeente… ik bedoel natuurlijk dat P-Petrus een kraan hoorde. De kraan haaide drie keer en toen…” Flytstra schudde verward met zijn hoofd. “Nee… eh… de haai… het was een haai die kraande…”
Een haai? Nee, er stond ook niets in het Evangelie over een haai. O Lieve Heer… over welk beest ging het toch?
Er steeg nu hier en daar gelach op. De gemeenteleden vermaakten zich prima, maar Bollebroeck leek een appelflauwte krijgen.

Een haas misschien?

Een haas? Opeens wist Flytstra wat hem te doen stond. Hij koos het hazepad. Weg met dat veel te kleine pak. Hij moest gewoon zijn eigen kleren dragen. Verdraaid nog aan toe, hij was toch zeker de dominee van deze gemeente. De kerkeraad en Bollebroeck konden op het dak gaan zitten.

Hij rende terug naar de koffiekamer en greep zijn eigen broek en zijn poloshirt van de Bijenkorf.  Uit met dat herenpak van Hugo Boss. Een mooi pak was het, maar niet voor op zondag in de kerk. Hij zuchtte van verlichting toen hij zijn eigen klofje weer aan had en terwijl hij door de gang terug naar de kansel snelde hoorde hij buiten het kraaiende geluid van een haan.

Het beest kraaide uit volle borst.

“Kukelekuu… mijn naam staat in de Bijbel. Kukelekuu.”